Bezienswaardigheden

BEZIENSWAARDIGHEDEN – DINSDAG ROUTE DF4D

Het Gouverneurshuis,Putterstraat 14-16,5256 AN Heusden Vesting

Het uit 1592 daterende Gouverneurshuis is namelijk een van de fraaiste panden in de vesting. Het was ooit de pastorie van de N.H. Kerk en werd later de ambtswoning van de gouverneur van de vesting Heusden. Nu is het Gouverneurshuis dé plaats die de geschiedenis van Heusden en omstreken tot leven laat komen met de eigen vaste collectie en verrassende wisselexposities.

Het Gouverneurshuis, opgericht in 1964, is sinds 1985 gevestigd in een monumentaal pand daterend uit 1592. Het museum is gelegen achter de Grote of Catharijnekerk in het centrum van de kleine vestingstad Heusden aan de Maas. Het museumcomplex bestaat uit een hoofdhuis en bijgebouwen, waaronder een wijnschuur en een bedeelhuisje, en is omgeven door een prachtige neoclassicistische tuin. De waterput, een kruidentuin, een kleine boomgaard, het uitzicht op de kerk en een rondeel geven de locatie de sfeer van een beschermd hofje of kloostertuin. Helaas is het Gouverneurshuis alleen op vrijdag, zaterdag en zondag geopend.

Grenspalen Gemeente Heusden

Op zeven locaties in de gemeente Heusden staan grenspalen. Op de Zeedijk, de Kapelstraat, Wolfshoek en Scheidingsstraat te Elshout. In Drunen aan de Kanaaldijk, Duinweg aan de noordzijde van de brug en bij de Klinkert. In Nieuwkuijk, de Onsenoortsestraat en in Vlijmen bij het Limietpad aan de Heidijk en de Moerputtenweg. De grenspalen vormen de oude grens Holland-Brabant uit 1795.

Het aanbrengen van deze zeven grenspalen komt voort uit het project ‘Zichtbare grens Holland - Brabant’..

Deze grens tussen Holland en Brabant van rond 1795 loopt van Willemstad naar Engelen en doorsnijdt in de oostelijke Langstraat de gemeenten Dongen, Waalwijk, Heusden en ’s-Hertogenbosch. De lijn vormt, vanaf het ontstaan in de 12e eeuw, een belangrijke basis voor de ontwikkeling van Brabant. Langs deze grens zijn ter verdediging van Zuidelijk Holland verschillende vestingsteden ontstaan, waaronder de vesting Heusden.

Bromsluis, Heusden Vesting

De Bromsluis is een ‘sortie’, een tunnel onder de verdedigingswal die de mogelijkheid biedt om bij een vijandelijke aanval onder dekking de vesting te verlaten, maar vervult ook een functie bij het afvoeren van het water uit de Demer. Ondanks de diepte van de stadsgracht was er een geheime doorwaadbare plaats naar een ravelijn. In geval van nood konden de verdedigers de sortie met een hekwerk blokkeren. In 2014 is de Bromsluis volledig gerestaureerd.

Sluisjes aan de Elshoutse Zeedijk

Tussen Heusden, Doeveren, Elshout en Waalwijk liggen de Elshoutse Wielen en de Zeedijk. Het natuurgebied bestaat uit het Elzenbroekbos en zestien plassen (wielen) die in de meeste gevallen zijn ontstaan door dijkdoorbraken. Op deze plek is de afgelopen jaren hard gewerkt om verborgen schatten weer zichtbaar te maken. Drie eeuwenoude sluizen (die in het verleden zowel een waterkundige als militaire functie hadden) lagen verscholen in het landschap en zijn steen voor steen gerestaureerd. Ook is het Verlande Wiel uitgebaggerd, wat bijdraagt aan het leefgebied van bijzondere planten en dieren. Rondom het wiel is een wandelpad aangelegd.

Eeuwen geleden beschermde de Elshoutse Zeedijk de mensen tegen het wassende water van de rivieren en de zee. Toen Heusden eind zestiende eeuw een frontiervesting werd van de Republiek der Nederlanden, ging ook de Zeedijk deel uitmaken van de Stelling van Heusden. De Zeedijk zorgde dus niet alleen voor droge voeten, maar ook voor verdediging tegen de vijand in oorlogstijden.

Kasteelruïne, Heusden Vesting

Het Kasteel Heusden was een kasteel te Heusden en stamt vermoedelijk uit de 12e eeuw. Het lag mogelijk aan een zuid-noord lopend water dat het Oude Maasje met de nieuwe Maasbedding verbond. Deze werd in 1250 afgedamd . Nabij het kasteel ontwikkelde zich de stad Heusden.
In 1948 begon men onder leiding van de archeoloog J.G.N. Renaud met de wetenschappelijke opgravingen bij het kasteel. Men vond, zoals gebruikelijk, een voorburcht en een hoofdburcht. De hoofdburcht kende een achthoekige verdedigingstoren met een doorsnede van 8 meter en een muurdikte van 2 meter, en een vierkante woontoren van 10 bij 10 meter. Dit alles was opgetrokken uit natuursteen en gefundeerd op het maaiveld, waarna de burchtheuvel of motte werd opgeworpen. Eind 13e eeuw kwam er een ringmuur met steunberen. Aldus ontstond een waterburcht, die in 1328 in handen van Brabant kwam en in 1335 in opdracht van hertog Jan III van Brabant verder werd uitgebreid, onder andere met een achtkantige donjon van 40 meter hoog en met muren tot 4 meter dikte. Deze werd uitgebouwd in de gracht. Niet veel later kwam het kasteel weer in Hollandse handen.

 

Joodse Begraafplaats, Heusden Vesting

Vanaf 1838 tot 1927 had het Brabantse Heusden een kleine, maar wel zelfstandige Joodse gemeenschap. Een kleine Joodse begraafplaats aan de Grotestraat van het naburige gehucht Heesbeen is de stille getuige van dit vergane Joodse leven.
Er hebben in de middeleeuwen ook Joden in Heusden gewoond, maar de vorming van een echte Joodse gemeenschap begon pas in 1777. In eerste instantie werden de doden begraven in Zaltbommel en vanaf 1839 werd de Joodse begraafplaats van Vught gebruikt. De Joodse begraafplaats aan de Grotestraat in Heesbeen werd gebruikt vanaf 1865. Er zijn negentien hele grafstenen bewaard gebleven, alsmede een aantal brokken. Het is hierbij niet duidelijk of het gaat om één of om meerdere graven. Het aantal begravenen is dus ten minste twintig.

Kromme Nolkering

De Kromme Nolkering is een keersluis die gelegen is in het Heusdensch Kanaal tussen Heusden en Wijk en Aalburg. De sluis is in 2002 opgeleverd, nadat zich in 1995 zeer hoge waterstanden voordeden en bleek dat de dijken langs het Heusdensch Kanaal en de Afgedamde Maas onvoldoende bescherming boden. De kering wordt gesloten bij een waterpeil van 3,42m +NAP, zodat het waterpeil in de Afgedamde Maas niet hoger komt dan 3,50m +NAP. Het Waterschap Rivierenland is eigenaar en beheerder van deze kering.

Fort Hedikhuizen

Fort Hedikhuizen bij het plaatsje Hedikhuizen in de gemeente Heusden, werd in 1862 gebouwd. Het vormde een onderdeel van de Zuider Waterlinie en werd gebruikt om de inundatiesluis te beschermen. De sluis maakte het mogelijk op een gecontroleerde manier water vanuit de Maas binnendijks te laten stromen, waardoor een groot gebied onder water kon worden gezet om de vesting Heusden te beschermen tegen een aanval.

Reeds in 1505 is er voor het eerst sprake van een versterking op deze plaats. Nieuwe verschansingen werden in de jaren 1593 en 1755 aangelegd. De oude vervallen verschansing werd in 1755 vervangen door een nieuwe. In 1774 groef men een coupure in de dijk voor de inundatie van de omgeving van Heusden. Deze coupure werd beschermd door een batterij. De bouw van een inundatiesluis en een klein verdedigingsfort begon in 1862. Dit fort bestaat uit versterkte legeringsgebouwen, een aarden wal en een natte gracht. Het fort werd tot 1952 gebruikt en is nog in vrijwel originele staat. In 1952 werden fort en sluis bij Koninklijk Besluit als vestingwerk opgeheven.

In 1993 belandde de sluis op de lijst van beschermde Rijksmonumenten. Het fort is particulier eigendom van mevrouw van der Stelt en wordt geëploiteerd door de “Smaakfabriek BV” als horeca locatie voor feesten en trouwerijen, en de sluis werd in 2002 voor een symbolisch bedrag verkocht aan waterschap Aa en Maas.

De sluis is in 2002-2003 gerestaureerd en fungeert nu als ‘stapsteen’ in de lokale ecologische verbindingszone.

Het fort is nog geheel in de authentieke staat, uiteraard zijn er enkele aanpassingen gedaan op het gebied van stroom, verwarming en toiletvoorzieningen.

 

BEZIENSWAARDIGHEDEN – WOENSDAG ROUTE DF4D

Emmamolen

De Emmamolen is een ronde, stenen stellingmolen met een kap bedekt met dakleer in het Noord-Brabantse Nieuwkuijk ten westen van 's-Hertogenbosch. De molen dateert uit 1886 en is vernoemd naar Emma van Waldeck-Pyrmont, koningin der Nederlanden. In 1966-1967 is de molen voor het laatst gerestaureerd. Vanwege de ligging langs de Loonse en Drunenseduinen-fietsroute is de molen bekend bij fietsers en wandelaars.

De Emmamolen is een korenmolen en die functie heeft zij nog steeds. Er wordt echter nu alleen nog voor veevoer gemalen met een koppel 17der kunststenen. In de molen is nog een groot deel van de oorspronkelijke inrichting aanwezig. Haar belangrijkste functie is tegenwoordig echter die van café. In de molen is tevens een meelwinkel gevestigd. Tijdens de openingsuren worden er rondleidingen in de molen verzorgd
.

Grafmonument van de bezitters van Onsenoort en Nieuwkuijk

Het grafmonument van de bezitters van Onsenoort en Nieuwkuijk is een monument op het kerkhof in de Nederlandse plaats Nieuwkuijk.
De heerlijkheden Onsenoort en Nieuwkuijk kwamen in 1743 door koop in handen van de familie Half-Wassenaer, zij bewoonde kasteel Onsenoort. Jkvr. Julie Maria Clara Half-Wassenaer was de laatste telg van dit geslacht en vrouwe van beide heerlijkheden. Door haar huwelijk met jhr. mr. Leopoldus Josephus Antonius Arnoldus de la Court vererfde het bezit in de familie De la Court. Aan de voorzijde van het grafmonument zijn de wapens van beide geslachten afgebeeld.

Venkantbrug

Circa 33 meter lange spoorbrug over de Bossche Sloot, in 1886 gebouwd als onderdeel van de Langstraatspoorweg.De geklonken, ijzeren vakwerk-spoorbrug bestaat uit twee identieke secties met een lengte van 16.20 meter, rust in het midden op een massief gemetselde bakstenen pijler waarop een dekplaat in gewapend beton en heeft twee gemetselde landhoofden in baksteen en natuursteen. Ofschoon de constructie vanouds de mogelijkheid voor dubbelspoor biedt, werd slechts een spoor uitgevoerd.

Spoorbrug Moerputten

De Moerputtenspoorbrug, ook wel Moerputtenbrug, was een spoorbrug over de veenplas Lange Putten in het latere natuurgebied Moerputten. Hij was onderdeel van de Langstraatspoorlijn. Tegenwoordig is het een wandelbrug. Aan de Moerputtenspoorbrug is vanaf het najaar van 1881 tot 1887 gebouwd. Pas eind 1890 reden er over deze brug dagelijks treinen tussen 's-Hertogenbosch en Geertruidenberg (- Lage Zwaluwe). Bij de bouw had men rekening gehouden met een eventuele toekomstige spoorverdubbeling. De 35 bakstenen pijlers zijn breed genoeg uitgevoerd voor een tweede ijzeren brugdeel. De lijn is echter tot aan de sluiting in 1972 altijd enkelsporig gebleven. Na aanvankelijke plannen tot sloop werd de brug in 1995 een rijksmonument en in 1997 heeft Staatsbosbeheer de brug aangekocht. De brug was na de sluiting van de lijn ernstig in verval geraakt en er bladderde giftige loodmenieaf die in het onderliggende water en de kwetsbare natuur terechtkwam.

Om deze vervuiling te stoppen en de brug te conserveren is in opdracht van Staatsbosbeheer in april 2004 begonnen aan de restauratie. Een jaar eerder was al in een uitvoerige proefrestauratie onderzocht hoe men dat het beste kon aanpakken. Bij de proefrestauratie waren drie van de 35 pijlers, drie brugdelen en het landhoofd aan de Bossche zijde gerestaureerd. Daarna zijn eerst de in totaal 36 welijzerenbrugdelen gerestaureerd. Hierbij is ruim 13 ton oude lagen verf en teer afgestraald. Daarna is er 9.000 liter verf op gespoten in de oorspronkelijke okergele kleur. De brug werd na voltooiing van dit werk toegankelijk voor wandelaars als onderdeel van de door Staatsbosbeheer in de Moerputten uitgezette wandelroutes. Na een pauze van enkele jaren werd de restauratie in 2009 voortgezet met het herstellen van het door de tand des tijds ernstig beschadigde metselwerk van de brugpijlers. In de voegen waren soms complete struiken gegroeid, maar ook vegetaties van bijzondere muurplanten die waar het kon behouden zijn gebleven. In mei 2011 werd de brug definitief heropend voor wandelaars.

Maxima Kanaal

Het Maximakanaal verbind de Zuid Willemsvaart bij Den Dungen met de Maas. Hiermee wordt de stad Den Bosch en Sluis 0 ontlast van beroepsvaart, en kunnen grotere schepen naar Veghel en verder varen. Het kanaal is geopend op 19 december 2014 om 10 uur. De RWS 95 is om half 11 als eerste vaartuig geschut in de sluis van Hintham. Het Máximakanaal ligt in Noord-Brabant ten oosten van ’s-Hertogenbosch. Het kanaal staat ook wel bekend als de omlegging van de Zuid-Willemsvaart en loopt van de Maas naar de Zuid-Willemsvaart bij Den Dungen. Met de komst van deze nieuwe vaarweg in 2014 kunnen grotere schepen van en naar Veghel varen.

OLV Kapel van Empel

De Onze-Lieve-Vrouw van Empel kapel staat aan de Empelsedijk in Oud-Empel, behorend bij de gemeente ‘s-Hertogenbosch. De bouw van de Mariakapel werd voltooid in november 2000 en staat op de plaats waar tot november 1944 de oude kerk van Empel stond, die toen werd verwoest door de Duitsers.  Het ontwerp is van architect Nico van Engelen uit Empel. De bouw van de kapel werd mede gefinancierd door onder andere Waterschap De Maaskant, de provincie Noord-Brabant en de Stichting Kapel Oud-Empel. De kapel is ingewijd op 8 december 2000 – de herdenkingsdag van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria – door voormalig vicaris L. Baeten.

De kapel heeft een aantal verwijzingen naar de geschiedenis. Een van de verwijzingen verwijst naar het Wonder van Empel in 1585. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog konden ingesloten Spaanse soldaten aan de belegering van het Staatse leger ontkomen..

Vispassage Crèvecoeur

De monding van de Dieze vormt het overgangsgebied tussen een uitgebreid Brabants bekenstelsel en het rivierengebied. Op deze plek komen verschillende waterstromen samen uit in de Maas: het water van de Aa, de Zuid-Willemsvaart en een groot deel van het water van de Dommel.

De spuisluis Crèvecoeur in de Oude Dieze regelt de afvoer en het peil in de Dieze. Zo houdt ‘s-Hertogenbosch droge voeten. Tegelijkertijd blijft de Dieze bevaarbaar voor schepen die vanuit de Maas de Zuid-Willemsvaart willen bereiken. De spuisluis is echter wel een onneembare barrière voor vissen die vanuit de Maas de beken op willen zwemmen. Daarom is vispassage Crèvecoeur aangelegd. De vispassage is in juni 2012 officieel geopend.

Waterschap Aa en Maas heeft bij Crèvecoeur een zogenoemde bekkentrap vispassage aangelegd. Bij een bekkentrap wordt het peilverschil van het water geleidelijk overbrugd door een serie bekkens achter elkaar. Het peilverschil tussen twee bekkens is 8 cm. Dat is klein genoeg voor elke vis om te passeren. Bij Crèvecoeur komt dit neer op 22 achter elkaar geplaatste bekkens. Zo overbrugt Vispassage Crèvecoeur het peilverschil van gemiddeld rond de 1,60m. 
De keuze voor dit type vispassage is zeer bewust gemaakt. Het functioneren van een bekkentrap heeft zich internationaal bewezen. Bovendien oogt het natuurlijk in het landschap omdat een bekkentrap eruit ziet als een slingerende beek
.

Henriëttewaard

De Henriëttewaard is een wijk van 285 ha in de gemeente 's-Hertogenbosch, in de NederlandseprovincieNoord-Brabant. De wijk, met 80 inwoners, ligt in het noorden van de gemeente, ten oosten van het Diezekanaal en ten westen van de Spoorlijn Utrecht - Boxtel.

De wijk is geen echte woonwijk, maar bestaat uit een polderlandschap. In het noorden van het gebied staat het voormalige Fort Crèvecoeur, wat thans een militair oefenterrein is. Dit fort is in 1590 gebouwd en had tijdens het Beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 een belangrijke functie. Het fort beheerste de scheepvaart over de Dieze, waardoor de stad 's-Hertogenbosch niet vanaf het water niet bereikbaar was. Dit fort had in zijn ontwerp van 1701 door Menno van Coehoorn aan de zuidwestzijde een bastion Henriëtte dat vernoemd was naar de laatste nog levende tante van Willem III van OranjeHenriëtte Catharina van Nassau.

In het oosten van het gebied liggen de twee gehuchten Dieskant en Meerwijk.


BEZIENSWAARDIGHEDEN – DONDERDAG ROUTE DF4D

Leemputten

De Leemputten of Leemkuilen is een natuurgebied van 86 ha in bezit van de Stichting Brabants Landschap in de Nederlandse gemeenten Tilburg en Haaren. Het gebied ligt in Biezenmortel tussen de N65 afslag Biezenmortel en de Spoorlijn Tilburg - Nijmegen ten zuidoosten van Udenhout.                                                                                                                                                     De vele leemputten in de omgeving werden sinds het begin van de vorige eeuw gebruikt voor de winning van leem, dat diende als grondstof voor de baksteenindustrie. Steenfabriek "D'n Oven" zorgde nog in 1965 voor de productie van bijna 30 miljoen bakstenen per jaar. Door overproductie, fusies en saneringen werd de bedrijvigheid steeds minder.Toen in 1995 de productie definitief werd beëindigd stonden de gebouwen leeg, het bedrijf kwam in handen van de gemeente Tilburg en later werd "Brabants Landschap" eigenaar. Dat was een zegen voor het hele gebied, bijna alle gebouwen werden afgebroken, de natuur kreeg meer vrijheid en door kleinschalig agrarisch beheer zijn er nu houtsingels, akkertjes en poelen, een gebied waar kamsalamander, das en allerlei amfibieën zich thuis voelen.

De leemkuilen zijn ontstaan door het graven van leem voor de baksteenfabricage. De baksteenfabriek is in 1890 gesticht. De kleinere plassen zijn met de hand gegraven en van elkaar gescheiden door dammen. In 1967 werd het terrein door Brabants Landschap aangekocht en in overleg hiermee heeft de steenfabriek ook daarna nog leem gewonnen. Van 1970-1997 is er echter ook op grootschalige wijze zand gewonnen, waardoor diepe gaten zijn ontstaan, zoals Brabandshoek. Zandwinning vindt nog plaats tot 2010 in de plas Heidekreiten. Het terrein van de steenfabriek is ondertussen eveneens verworven door Brabants Landschap en deze fabriek wordt gesloopt.

De leemputten die werden gebruikt in de laatste jaren dat de steenfabriek in gebruik was, hadden een grotere omvang en waren ook dieper. Dit was weer gunstiger voor de visstand.

Hier kun je de natuur in alle rust observeren.
Het kijkscherm zorgt ervoor dat vogels door de wandelaars niet gestoord worden.

De oude Toren,Haaren

De Oude Toren is een laatgotische toren uit 1472, aan het Kerkeind in de Nederlandse plaats Haaren in Noord-Brabant, ten noordoosten van Tilburg en Oisterwijk. Hij was gewijd aan Lambertus van Maastricht en is een voorloper van de huidige Sint-Lambertuskerk, die ruim een kilometer oostelijker staat.

Het schip van de Sint-Lambertuskerk werd in 1470 voltooid, de toren twee jaar later, in 1472. Het patronaatsrecht van de kerk was in handen van de Abdij van Tongerlo. In 1648, toen de katholieke eredienst niet meer openbaar gehouden mocht worden, werd de kerk overgedragen aan de protestanten. De inventaris was tevoren op verschillende plaatsen in veiligheid gebracht, onder andere op kasteel Nemerlaer.

Kasteel Nemelaer, Haaren

Dit 14e-eeuwse kasteel ligt op een uitgestrekt landgoed van 116 hectare. De naam is herleid van het riviertje de Nemer; 'laer' was vroeger een open plek in het bos. Het kasteel is eeuwenlang bewoond door adellijke families. Vroeger zou het er altijd gespookt hebben. Het spook waart – tot op de dag van vandaag – rond in de geest van een jonkvrouw, die door haar man werd vermoord. Tegenwoordig is het kasteel in handen van Stichting Kasteel Nemerlaer, die er cursussen, exposities en concerten organiseert.

Kasteel Nemerlaer, dat voor het eerst in 1303 in de archieven wordt vermeld, is gelegen op een uitgestrekt landgoed, waarvan de kasteellanen uitkomen op een weg van Oisterwijk naar Boxtel. Het kasteel stond aanvankelijk bekend onder de naam Amerlaer, genoemd naar het riviertje de Amer (later Nemer) en Laer, een open plek in het bos. Er is eerder verondersteld, dat op deze plaats een jachtslot van de hertogen van Brabant zou hebben gestaan. Het kasteel was oorspronkelijk een middeleeuwse versterkte burcht, die in de 18de eeuw werd omgebouwd tot een omgracht landhuis. Rondom de Nemerlaer lag aanvankelijk een dubbele gracht. Het kasteel was bereikbaar via een stenen poort in de voorburcht en een houten ophaalbrug op jukken. Het huis heeft nog bouwelementen uit de 14de en 15de eeuw. Het oudste gedeelte bevindt zich in het souterrain, waarvan een deel voorzien is van een gewelf. In een van de ruimten zijn nog een geheim gemak, lichtnisjes en een schietsleuf in de dikke buitenmuren te vinden. De Nemerlaer werd in 1718 gerestaureerd en gedeeltelijk verbouwd. Hieraan herinnert nog een gedenksteen aan het bordes. In 1880 volgde een nieuwe verbouwing van het kasteel met een uitbreiding aan de achterzijde met serres en een middenpaviljoen. De rest van het gebouw werd van een beklamping voorzien. In diverse vertrekken bevinden zich nog de 18de en 19de eeuwse schouwen.

In 1852 werd het kasteel eigendom van Jhr. Donatus Alberic van den Bogaerde van Terbrugge, die het liet verbouwen en later in zijn berucht geworden testament bepaalde dat het huis bijna 70 jaar onbewoond moest blijven. Toen de termijn was verstreken kocht Brabants Landschap in januari 1964 het landgoed en kreeg het vervallen kasteel er voor ƒ. 1,00 bij. 

Bijna elke vakantiedag geopend vanaf 12.00 uur

 

Kasteel Zwijnsbergen,Helvoirt

Kasteel Zwijnsbergen is een kasteel en landgoed gelegen aan de waterloop Zandleij in Helvoirt in de Nederlandse provincie Noord-Brabant. 
Oorspronkelijk lag op deze plaats een leengoed , dat een versterkte hoeve bezat. De eerste bezitter was waarschijnlijk de familie De Sweensbergh. Tussen 1382 en 1387 was er sprake van Katharina en van Johannes Sweensberch. In 1428 was er sprake van Jan van Zwijnsbergen . Deze bezat in 1432 een hof in Helvoirt bij de brug, wat op Zwijnsbergen betrekking moet hebben gehad. Deze begon waarschijnlijk met de bouw van het versterkte kasteel. In 1444 verkocht hij het goed aan Willem Aerts van Heirn. Deze bouwde in 1446 het huis verder uit en na zijn dood kwam Zwijnsbergen aan zijn neef, Herman Aerts van Heirn. Daarna wordt nog ene Jan Wouter Olyslegers als eigenaar genoemd.In 1542 kwam het kasteel voor de helft in handen van de Zusters Clarissen uit 's-HertogenboschDe andere helft was in bezit van Lambert Joost Roelofs, gehuwd met Maria Olyslegers.

Rond 1552 gesticht als een omgracht eenvoudig edelmanshuis. De kelders van Zwijnsbergen vormen het oudste gedeelte met hun rib- en tongewelven. De toren met zijn 5 torenkamers stammen uit de 16e eeuw. Het 15e eeuws kasteel was oorspronkelijk geheel omgracht. Het kasteel is in april 2001 verbrand. In 2009 is het kasteel weer hersteld. De tuin is uit 1817 aangelegd door David Zocher.

Het landgoed Zwijnsbergen meet 21 ha. De helft bestaat uit bos en de andere helft uit weilanden met lanen en een kolk. 5 ha is in het bezit van de Vereniging Natuurmonumenten, de rest is bezit van de Erven Van Lanschot. Het gebied is toegankelijk op wegen en paden.  

Vughtse Lunetten

De lunetten van Vught maakten deel uit van een verdedigingsgordel die in opdracht van Koning Willem II is aangelegd. De Lunetten lagen als een vooruitgeschoven post tussen laaggelegen polders. Ze moesten na 1839 bescherming bieden tegen een eventuele vijandelijke inval vanuit België. Vier van de acht Lunetforten zijn nog prominent aanwezig. Op de middelste lunet bevindt zich de fusilladeplaats uit WO II.

Fusiladeplaats, Vught

De fusilladeplaats Vught is de schietbaan van het voormalig concentratiekamp Vught in de Noord-Brabantse gemeente Vught. Op de fusilladeplaats zijn 329 mannen doodgeschoten tijdens de Deppner-executies. Vanuit verschillende gevangenissen werden verzetsmensen naar Vught gebracht en hier vermoord. De daders waren Nederlandse SS'ers, die normaal gesproken de wachttorens bewaakten.

Op 20 december 1947 werd op de fusilladeplaats een gedenkteken met namen onthuld door prinses Juliana. Het houten kruis dat achter het gedenkteken staat, is er al eerder neergezet door mensen die in de buurt wonen.

In 1995 en 1996 werd het gedenkteken beklad. De daders werden niet gevonden. De bekladde panelen hebben nu een vaste plek gekregen in het Nationaal Monument Kamp Vught. Naar aanleiding van de bekladdingen maakte een onbekende een gedicht vast aan het hek bij de fusilladeplaats. Dat gedicht is later in brons gegoten en hangt bij de ingang van het hek.

Afwateringskanaal ’s-Hertogenbosch-Drongelen

Het Drongelens of Drongels Kanaal zoals het in de volksmond wordt genoemd, is tussen 1907 en 1911 gegraven om wateroverlast te voorkomen in de lage gebieden rond ’s-Hertogenbosch en in de polders ten westen van de stad. het kanaal is ruim 19 kilometer lang. Het Afwateringskanaal 's-Hertogenbosch-Drongelen garandeerde de afvoer van 80 m3 water per seconde, ofwel de maximale afvoer van AaDommel en Leij samen. Want in die beken lag het grootste probleem. Dommel en Aa komen bij de stad bij elkaar en gaan daar verder als de Dieze. Als er meer water aangevoerd werd dan deze beken aankonden, ontstonden er overstromingen.

Zowel de Aa als de Dommel kregen in de 19e eeuw bovenstrooms met een groeiend aanbod van water te maken. In de Belgische Kempen werden na 1839 voor ontginningsprojecten tot 3.000 hectaren heide via een kanalenstelsel bevloeid met Maaswater. Het merendeel van dat water kwam via de Dommel en haar zijriviertjes naar de Dieze. En in eigen land leidden ontginningen in de Peel tot een aanbod van veel extra water voor de Aa.

Als dan ook nog hoogwater op de Maas en/of het stromen van de Beerse Maas de afvoer van Dommel en Aa blokkeerden, was de ellende niet te overzien. De Maasmondwet van 1883 moest daarin een grote verbetering brengen. Volgens deze wet moest er worden voorzien in de afwatering van het inundatiegebied van Aa en Dommel.

Een belangrijke rol was daarbij weggelegd voor het Afwateringskanaal, dat als zodanig in werking trad bij een waterhoogte van 2.06 meter boven NAP. Bij die hoogte stroomde het Dommelwater via een overlaat, De May bij de brug in de Vughterweg, het kanaal in.

Deze overlaat zorgde er tevens voor, dat er voldoende Dommelwater naar de Dieze bleef gaan om scheepvaart mogelijk te maken. Het kanaal loopt vanaf de overlaat langs de hogere gronden onder Vught en Cromvoirt tot de Baardwijkse Overlaat en vandaar naar het noorden tot bij Gansoijen bij Waalwijk. Daar watert het via de Bovenlandse Sluis uit in de Bergse Maas. Het verval bedraagt ruim een meter.

Rond de ingebruikname van het Drongelens kanaal is een esdoorn van buitenlandse herkomst geplant door de aannemers De Groot en Kalis, uit respectievelijk Gorinchem en Sliedrecht. Deze boom van Kalis, zoals oude Waalwijkers hem nog noemen, staat ten noorden van de spoorbrug in de linkerzijde van de bedding van het kanaal tussen het water en de kanaaldijk.

De Bovenlandse Sluis werd aan het eind van de negentiende eeuw gebouwd en in de jaren tachtig gerenoveerd. Behalve voor afwatering zorgt het Drongelens Kanaal ook voor watertoevoer naar de hoger gelegen gebieden bij Vlijmen en Drunen. Het vijzelgemaal Loonse Vaart pompt water uit het kanaal de polders in.

BEZIENSWAARDIGHEDEN – VRIJDAG ROUTE DF4D

Spoorbrug

Voormalige SPOORBRUG, onderdeel van de Langstraatlijn, tegenwoordig in gebruik als onderdeel van een fietsroute tussen Drunen en Waalwijk. De brug is gelegen aan de noordwestelijke kant van de Drunense bebouwde kom over de provinciale weg naar Waalwijk. De landhoofden werden aangelegd in 1881 door de firma J.A. van der Eerden Wzn. uit Boxtel; de ijzeren bovenbouw met vakwerkliggers in 1885 door de Koninklijke fabriek voor Stoom- en andere werktuigen. Tot 30 oktober 1944 maakte de brug, samen met die over de Overstortweg, onderdeel uit van de veel langere brug over de Baardwijkse Overlaat. Hiervoor waren al in 1923 en 1924 enkele openingen vervangen door een aarden dijklichaam. De oorspronkelijke brug werd in 1944 deels door de Duitsers opgeblazen. Na de oorlog werden 43 van de oorspronkelijke 53 overspanningen van de brug vervangen door een dijk. Drunen kreeg toen uiteindelijk twee afzonderlijke kleine spoorbruggen en Waalwijk één grote van ca. 160 meter. Op 28 mei 1972 werd de lijn gesloten voor alle verkeer en in 1987 werd de rails op het traject opgebroken. Vanaf dit moment zetten verschillende stichtingen zich met succes in voor het behoud van de bruggen. Eind 1991 - begin 1992 volgde het herstel en het in gebruik nemen van de bruggen als onderdeel van een fietsroute tussen Drunen en Waalwijk. Omschrijving. De welijzeren spoorbrug heeft twee geklonken vakwerk hoofdliggers met langs- en dwarsdragers, verstevigd met een onderwindverband. De brug heeft geklonken, samengestelde, hoedliggers. Vakwerk met evenwijdige randen, verticalen en diagonalen. De zes centrale velden hebben ook tegendiagonalen. De strippen van deze diagonalen worden naar het midden toe steeds smaller. De overspanning van de brug is circa 15 meter. De doorrijhoogte is 3,1 meter. De brug heeft landhoofden van baksteen en beton. Ook de afdekplaat is van beton. Twee pijlers met afgeschuinde hoeken en betonnen afdekplaten. Tijdens de restauratie in 1991-1992 werd de rails verwijderd en werden er planken van Fins grenen met een beschermingslaag opgelegd. Tevens werd de metalen armleuning aangebracht. Waardering. De spoorbrug is van algemeen belang. De brug heeft cultuurhistorisch belang als bijzondere uitdrukking van sociaal-economische technische en landschappelijke ontwikkelingen, met name die van de ontwikkeling van de spoorverbindingen in de Langstraat. De brug heeft architectuurhistorisch belang voor de geschiedenis van de bouwtechniek. De brug heeft ensemblewaarden als essentieel onderdeel van de Langstraatlijn.

Van Haren fabriek

Van Haren fabriek is een rijksmonument dat ligt aan het Hoogeinde in Baardwijk in gemeente Waalwijk.
Johannes van Haren uit Beneden-Leeuwen kocht deze schoenfabriek rond 1913, om zijn schoenhandel voort te zetten. Zijn drie zoons Cornelis, Ivo en Johannes zijn ook in de schoen- en lederindustrie actief geworden.
Ivo was de meest succesvolle in de schoenhandel, de twee anderen verlieten deze fabriek.
Ivo opende zijn eerste eigen winkel in de Hoogstraat 281 in Rotterdam.
Voor 1929 was er al bedrijvigheid in deze fabriek, maar in dat jaar werd de productie grootschaliger, wat ook diverse verbouwingen met zich meebracht.
In 1934 was er brand in de fabriek. 
In de oorlogsjaren is de fabriekshal gevorderd door de Duitsers voor onderhoud aan vliegtuigmotoren.
Het fabriekscomplex bestaat uit meerdere rijksmonumenten: fabrieksgebouw, dienstwoning, kantine en poort.
De poort bestaat uit een metalen boog met het opschrift "VAN HAREN". Ernaast ligt de kantine en daarnaast op nummer 39 de dienstwoning.
In de hal van het hoofdgebouw zijn wandschilderingen van de hand van Theo van Delft.
De naam Van Haren gaat voort in een grote Nederlandse winkelketen.
In de haven van Waalwijk, is er een straat vernoemd naar deze onderneming.

De Couwenbergh

De Couwenbergh is een windkorenmolen te Kaatsheuvel. Het is een beltmolen en een bovenkruier die gebouwd is in 1849, in opdracht van molenaar A.H. Couwenbergh. In 1881 brandde de molen af, maar deze werd daarna hersteld.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte de Couwenbergh beschadigd en in 1950 is de molen onttakeld. Ondanks zijn vele pogingen slaagde de molenaar er niet in om subsidie voor herstel te krijgen en maalde hij met een dieselmotor. In 1994 werd De Couwenbergh verkocht. De nieuwe eigenaars slaagden er wel in de molen te laten restaureren. In 1997 kwam het gebouw gereed, en doet weer dienst als korenmolen. Het maalkoppel heeft een pennetjeswerk. De Couwenbergh is open voor publiek. De molenberg is in het verleden afgegraven om plaats te maken voor een pakhuis. Deze ruimte was in gebruik als restaurant, maar de molen is nog steeds maalvaardig. Zo werd het brood dat in het restaurant 
De Molen werd geserveerd, gebakken van meel dat in de Couwenbergh was gemalen.

Sint-Jans Onthoofdingkerk

De kerk van Loon op Zand werd gebouwd omstreeks 1394. De bewoners van Venloon (op het Zand) waren door het oprukkende stuifzand verdreven van hun oorspronkelijke dorp rond de Willibrorduskapel. Ze vestigden zich rond de nieuwe kerk gewijd aan de Onthoofding van Johannes de Doper. De kerk werd nog enkele malen uitgebreid en verbouwd. De huidige vorm is in grote trekken dezelfde als na de verbouwing van 1570.
Zoals met alle katholieke godshuizen in de zuidelijke wingewesten gebeurde, werd ook deze kerk na 1648 door de Republiek opgeëist voor de gereformeerde eredienst. Bij gebrek aan gelovigen werd het kerkgebouw gedurende de Reformatie uiteindelijk voor diverse andere doeleinden aangewend, zoals brandweeropslag, gevangenis en paardenstal. Ook viel het bouwwerk ten prooi aan storm- en brandschade. In 1821 werd de kerk aan de katholieken teruggegeven. Er volgden sindsdien diverse restauraties.

Herdenkingsplaats fusillade

Op 26 mei 1944 werden in de Loonse en Drunense Duinen 14 mannen gefusilleerd. Vijf van hen waren betrokken bij de mislukte aanslag op Piet Gerrits, een van de meest gehate politiemannen die Tilburg ooit gekend heeft. Het ging om de volgende vijf verzetslieden: Wim Berkelmans, ambtenaar van het Tilburgse Bevolkingsregister, Rob van Spaendonck, textielfabrikant, Harry Verbunt, ambtenaar, en Barend Busnac en Albert Meintser. De laatste twee waren afkomstig uit Amsterdam maar tijdelijk ingeschreven in Tilburg. Ook Jan de Jong uit Doorn, onderhopman bij de Nederlandse Arbeidsdienst, werd die dag op dezelfde locatie terechtgesteld. Hij had Harry Verbunt onderdak verleend.

Het was begin januari 1944 dat Van Spaendonck, Berkelmans en Verbunt samen met politieagent Toon van Beek een aanslag beraamden op Piet Gerrits. De NSB-er Gerrits was een verlengstuk van de Sicherheitsdienst bij het Tilburgse politiecorps,. Afgesproken werd dat de aanslag gepleegd zou worden door Van Beek en door de twee Amsterdammers en wel op 19 januari. Op de bewuste dag bleek Piet Gerrits echter niet in de stad te zijn, waarna een nieuwe datum geprikt werd: 24 januari. Omdat men - kennelijk bij nader inzien - niet veel vertrouwen had in de capaciteiten van Busnac en Meintser, werd Joop Kerstens uit Nijmegen gevraagd aan de aanslag deel te nemen. Eerst leek die niet op tijd te komen, zodat men de Amsterdammers toch in moest schakelen, maar uiteindelijk meldde Kerstens zich wel op het afgesproken tijdstip. Afgesproken werd nu dat hij en Van Beek de aanslag zouden plegen en dat Meintser en Busnac achter Gerrits zouden fietsen om zich na de aanslag meester te maken van diens aktetas met officiële papieren. Kerstens en Van Beek zouden Gerrits opwachten en neerschieten op de hoek van de Nieuwlandstraat en Noordstraat, een punt dat hij doorgaans op weg naar huis passeerde.

Op die bewuste avond zagen de verzetslieden Gerrits om kwart voor elf uit het aan de Bisschop Zwijsenstraat gelegen hoofdbureau van politie komen. Van Beek en Kerstens begaven zich naar de afgesproken plaats, maar wachtten tevergeefs. Waarom? Gerrits was weliswaar de Nieuwlandstraat ingereden, maar had gezien dat er achter hem twee mannen reden - Meintser en Busnac - die zonder licht reden. Toen hij ze aanhield, was Busnac op de vlucht geslagen. En zo keerde Gerrits samen met Meintser terug naar het politiebureau, niet wetend dat hij zelf de dans ontsprongen was. Toen Busnac zich na twee dagen op het hoofdbureau meldde om te vragen naar zijn vriend Meintser, ging het balletje rollen. Gerrits kwam er achter dat Busnac zijn collega Van Beek kende en dat die ondergedoken was. Hij informeerde de Sicherheitsdienst die Meintser en Busnac overnam. Niet lang daarna volgde de aanhouding van Verbunt die in Doorn zat ondergedoken bij De Jong, De Jong zelf, en van Berkelmans in Arnhem. Van Spaendock, die de drijvende kracht zou zijn geweest achter de aanslag, werd als laatste ingerekend in Tilburg.

De zes verzetsmannen en nog acht andere personen werden op 24 mei 1944 tijdens een zitting in het kamp Haaren ter dood veroordeeld en op 26 mei 1944 in de Loonse en Drunense Duinen geëxecuteerd. Diverse pogingen ten spijt is nooit achterhaald waar zij begraven liggen. Op 26 mei 2005 werd voor de veertien mannen een monument opgericht nabij het Udenhoutse café-restaurant Bosch en Duin.

Levend zand

Waar nu een immens grote zandvlakte ligt van bijna 500 hectare strekte zich aan het begin van onze jaartelling een oerbos uit.
In de Middeleeuwen bood dit aan de weinige mensen die in het gebied woonden nog voldoende overlevingskansen. Stukken bossen werden platgebrand om er een akkertje van te maken, daarna bleef het braak liggen en na verloop van tijd werd weer een ander perceeltje op die manier in gebruik genomen.
Op de braakliggende stukjes begon hei te groeien waarop de schapen graasden. Door overbegrazing én door afplaggen kwam de schrale zandgrond echter bloot te liggen, de wind kreeg er vat op en het zand kreeg vrij spel.
Dorpjes als de Efteling verdwenen onder de dikke zandlaag en een dorp als Loon op Zand moest verplaatst worden.

Ook nu nog is er een gebied van enkele honderden hectares waar het zand "leeft", dat betekent dat onder invloed van de wind steeds een nieuw landschap ontslaat.
Moest de mens in vroegere tijden vechten tegen het zand, nu wordt moeite gedaan om dit unieke gebied te behouden en te beschermen tegen de oprukkende begroeiing.

Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen

Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen is een natuurgebied in de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Het is ruim 3500 hectare groot en is sinds 2002 een nationaal park. Het park is enerzijds grotendeels een afwisseling van droge zandverstuivingen en naaldbos, maar ook de uitgestrekte beekdalzone van de Zandleij hoort erbij. Hier ligt met name het natuurgebied De Brand bij Udenhout, met zijn afwisseling van hakhoutbossen, natte weilanden en moerasruigtes.

Het gehele park omvat meer dan 35 km². Daarvan is ongeveer 30 km² stuifzand. Het gebied wordt dan ook wel de "Brabantse Sahara" genoemd.

GIERSBERGEN (Gehucht)

Giersbergen ontstaat in het midden van de dertiende eeuw. In een afschrift van een oorkonde, te vinden in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, treft de lezer aan het eind als datering het jaar 1244 aan: Datum anno Domini millesimo ducentesimo quadragesimo quarto. De oorkonde beschrijft hoe Hendrik van Herentals, schout van 's-Hertogenbosch, op bevel van Hendrik II, hertog van Brabant, 150 bunder grond overdraagt aan de abdij Ter Kameren tegen betaling van een jaarlijkse cijns. De abdij krijgt eveneens het recht te genieten van de gemene gronden van het allodium Drunen (ville de Unen allodium tam in humido quam in sicco communibus possunt uti pascuis et gaudere).

De abdij vestigt op dit landgoed de uithof Giersbergen.

De abdij Ter Kameren is een Cisterciënzerinnenabdij. Deze monialen leven volgens strenge regels binnen de adbijmuren. Het werk op de uithoven wordt verricht door monniken en lekenbroeders.

De kern van de uithof wordt al snel na de stichting gevormd door twee hoeven, de Poirthoeve en de Maijhoeve. De Maijhoeve is volledig bestemd voor de exploitatie van de landgoederen van de uithof. De Poirthoeve dient daarnaast nog een tweede doel, het bieden van onderdak en gastvrijheid aan leden van de orde, onderweg van en naar de abdij Ter Kameren of het Generaal Kapittel te Cîteaux, en andere aanzienlijke personen. De Poirthoeve ligt dan ook aan de westelijke rand van de binnenste omwalling van de uithof, waarlangs de Heusdense baan komend van Heusden (Holland) via Oisterwijk verder naar Brussel (Brabant) voert.

Jan II, volgens de oorkonde hertog van Lotharingen, Brabant en Limburg, breidt op 14 december 1299 het domein verder uit door tegen een jaarlijkse cijns drie hoeven land in Udenhout aan de abdij te geven: tres hovas terre sitas in nostro nemore de Uudenhout.

Ook door aankopen wordt het gebied verder uitgebreid.

De Maijhoeve wordt aan het einde van de zestiende eeuw op de bestaande plaats opnieuw opgebouwd of op zijn minst grondig gerenoveerd. In oktober 2007 door BAAC uitgevoerd dendrochronologischonderzoek op monsters uit het eerste gebint toont aan dat de gebruikte boomstammen in de winter van 1597/1598 zijn gekapt, zodat mag worden aangenomen dat met de bouw in 1598 begonnen wordt.

In een oorkonde van 17 juli 1613 is sprake van een omvang van de uithof van om en nabij vierhonderd bunder: goeden gheleghen bij de steden van ts'Hertogen Bosche ende Heusden, consisterende zoe in twee hoeven gheheeten Gheersberghen, winnende landen, boghaerden, als boschen, weyden, schaerboschen, duynen ende heyden comende t'samen tot vierhondert bunderen ofte daer omtrent.

Op maandag 18 juni 1934 wordt Giersbergen getroffen door een grote brand die in een van de boerderijen begint. Twee boerderijen met schuren branden af. Vee, pluimvee en huisdieren komen in de vlammen om. De materiële schade is groot. De door de vrij sterke wind wegwaaiende vonken zetten het omliggende heidegebied in lichterlaaie. Een oppervlakte van 25 hectare, veelal dennen- en eikenbossen, valt ten prooi aan de vlammen.

In 1951 krijgt Giersbergen een dorpspomp. Deze voorziet het gehucht van bluswater en zijn inwoners van was- en drinkwater. Vijf jaar (1956) later wordt Giersbergen aangesloten op het elektriciteitsnet. Handige inwoners weten hiermee boerderijen al vanaf de dorpspomp te voorzien van stromend water. In 1965 volgt de aansluiting op het waterleidingnet.

De Poirthoeve (of Poorthoeve, zoals ze later is gaan heten) wordt aan het begin van de 21ste eeuw gesloopt, omdat ze moet wijken voor de nieuwbouw van een landhuis.